Tiktak, Gesprek met Steven Baelen

Tiktak
Gesprek met Steven Baelen , 25 november

 
Afb. 1 Steven Baelen, Tik_Tak, digitale animatie (00:20:46:00), 26.08.06 – 25.04.07

Steven Baelen: Tik_Tak is de titel van dit werk.  

Willem Vandamme: Dus het gaat over tiktak.  

SB: Ja Tik_Tak, wat er eigenlijk gebeurt is dat die tekening – één van de eerste tekeningen  die ik gemaakt heb bij mijn moeder thuis nadat ik afgestudeerd ben –die heb ik gedigitaliseerd, elke lijn gereconstrueerd met de computer. Hierdoor kan elke lijn aangeklikt worden en verplaatst worden. De één tekening wordt de ander en de toetsen verplaatsen zich binnen het beeld, wat de eigenlijke animatie vormt. Ik wou dit proces niet zichtbaar maken, dus heb ik hard moeten zoeken naar tempo, maar als je je concentreert dan zie je het wel vrij goed.

WV: Er ontstaat een wisselwerking  tussen de twee.

SB: Inderdaad en dit leidt uiteindelijk naar het idee dat na een tijd het er niet meer toe doet welke tekening eerst was binnen dit proces. Tik_Tak klinkt letterlijk als “tiktak”, maar in eerste instantie verwijst de titel naar “Tiktak”, het kinderprogramma, waarin op het einde een schetsboek getoond wordt en een figuurtje van de één tekening een ander maakte, van een chaos lijnen of vlekken een tekening maakte. Dit was mijn uiteindelijke motivatie om de titel te geven: de één tekening die een andere tekening wordt. Zelfs letterlijk met de twee schermen, kun je het zo interpreteren. Het was eerder iets nostalgisch…

WV: Ik moet denken aan het getik van een klok.

SB: Je zou het inderdaad zo kunnen interpreteren, maar die laag is niet echt mijn bedoeling –of ergens misschien wel. In eerste instantie heb ik dit gedaan vanuit het idee dat ik veel toetsen herhaal. Gelijk welke tekening ik maak, je kan er in feite een alfabet uitpuren, een eigen handschrift mee construeren. Ik herhaal lijnen, texturen en patronen. Het was mijn idee om een tekening te digitaliseren en dan als alfabet te gebruiken om een andere tekening mee te reconstrueren en te zien in hoeverre dat lukt. Het komt veel meer vanuit een alfabetisch onderzoek. Maar wat er natuurlijk bij komt kijken is dat de realiteit, in zekere zin aanleunt bij die chaos, die ongrijpbaarheid die ik creëer en dus terugkomt in mijn tekening. Kortom, dat de realiteit verandert. Dat ze [de tekeningen/realiteiten] veranderen. Je hebt één realiteit en dat wordt een interieur met dezelfde toetsen. Het is vooral omwille van die toetsen dat ik dit werk maakte.

 

Afb. 2 Steven Baelen, Tik_Tak,  2010

WV: Dat de toetsen niet meer geschreven zijn, dat de lijnen op voorand in letters, zeg maar, gevormd zijn, die je terug weer verplaatst naar een ander geheel?

SB: Daar komt het op neer. Ik heb de tekening ook zo gedigitaliseerd dat ze handgemaakt lijkt. Grijze lijnen, lijnen van dun naar dik, heb ik zo gelaten.. Het wordt een perfecte replica, maar dan compleet digitaal.

WV: Heb je dan eerst de tekening ingescand of hoe…

SB: Ingescand en dan met de computer elk lijntje gedigitaliseerd. Ik heb ze allemaal in stills gemaakt, op een vrij abstracte manier. Als je inzoomt kan je het digitale zien, maar ook dat ik trouw gebleven ben aan mijn handschrift met alle nuances. Toen ik dit maakte, dacht ik: eigenlijk is dit nog een dunner schilletje [realiteit], dan mijn tekeningen al zijn, alsof ik nog eens van de werkelijkheid iets afgeschraapt heb.

De oppervlakte, het model, het document, de fout

WV: Je praat over het oppervlak, over een schil, zie ik dit dan als een beeld dat afgeschild wordt van iets en een blad wordt waar letters op staan, of van waaruit komt die gedachte?

SB: Ik denk twee of drie jaar geleden, in 2008, was ik aan het nadenken over wat die beelden eigenlijk zijn, omdat ik alles vol tekende en met de witte vlaktes speelde. Ik kwam tot de conclusie dat die tekeningen iets heel leugenachtigs hadden, terwijl tekenen eigenlijk heel eerlijk is. Ik had het gevoel dat ik ervan alles bijvoegde, wat er niet leek te zijn. Dat kwam omdat ik geen onderscheid of hierarchie maakte, waardoor het één vlak wordt. Het was vooral die vlakheid en leugenachtigheid, dat ik dacht aan een schil realiteit. Schilletjes realiteit, Johan de Bruyne heeft daar trouwens een tekst over geschreven. Ook omdat ik steeds hetzelfde lijk te tekenen, terwijl ik constant tot nieuwe tekeningen kan komen. Ik teken alles wat ik zie. Iets vuils op de grond is even belangrijk voor mij als een schaduwplek, als iets superbanaal. Hoewel banaal eigenlijk niet het juiste woord is, anekdotisch komt meer in de buurt. Een voorbeeld van zoiets anekdotisch is om bij het natekenen van een model, de tattoo’s etc. na te tekenen. Alles is gewoon even belangrijk.

WV: Kom je dan niet juist tot een bepaalde, andere realiteit, omdat je je “menselijkheid” laat wegtrekken door alles even belangrijk te beschouwen? Mensen zouden misschien eerder letten op andere mensen of andere dingen, terwijl nu die focus weg is. Alles is even vlak getoond. Er worden geen andere mensen getoond. Dingen schijnen geportretteerd. Je kamer lijkt precies op een huisgenoot, die telkens anders is en verschillende poses aanneemt.

SB: Mijn omgeving is eigenlijk mijn model. Het gebeurt wel soms dat mijn vrouw toevallig aanwezig is, maar dan teken ik haar als object. Ik heb de neiging om geen narratief te vertellen en vanaf het moment dat je een personage tekent, zit je meteen met een verhaal. Daar ben ik – nu toch –niet mee bezig. Mij ergens wegcijferen… Ergens ook weer niet. De mens is zeer aanwezig in mijn werk, omwille dat er geleefd wordt, dat ik leef, in die ruimtes. Dat is ook de reden waarom de motieven of thematiek van mijn werk ergens nog jaren nodig hebben. Ik was bijvoorbeeld laatst met een gallerist aan het praten dat als ik hiermee volhoud, ik mijn leven compleet zou documenteren. Dat potentieel is er aanwezig, maar dat zou nog moeten groeien. Ik ben aan het afdwalen…

WV: Nee het is interessant: je ziet het tekenen ergens als het documenteren van je leven, is dat dan ook een doel?

SB: Nee het is zeker geen doel, hoewel ik blijf tekenen naar mijn directe omgeving. Moest dat puur mijn doel zijn, zouden mijn tekeningen heel anders zijn, trouwer aan de mimesis en zo zijn ze niet. Ik teken wel naar de waarneming, maar op sommige plekken ontbreekt informatie, op andere is er te veel. Je krijgt wel het gevoel van een ruimte en ik zou die gemakkelijk kunnen reconstrueren, omdat ik de echte ruimte ken. Maar voor de toeschouwer is het onmogelijk om een documentaire-gevoel te kunnen krijgen.

WV: Inderdaad, de toeschouwer moet steeds gissen, zoals in de tekening 28.05.10 herken je een tafel, een stoel etc. maar je vraagt je af wat dat vreemd, geplooid ding is. Je gaat misschien bepaalde mogelijkheden creëren, die verschillend geïnterpreteerd kunnen worden.

 Afb. 3: Steven Baelen, 28.05.2010, potlood op papier, 25x 35 cm, 2010

SB (haalt tekening erbij): Heb je het op dat object? Dat is eigenlijk een tekening met een doek erover (lacht)… De tekeningen zijn totaal niet gemaakt om te documenteren, maar sowieso zullen ze dat wel voor mij doen, want ik kan de ruimtes reconstrueren en ik zie wat ontbreekt.

WV: Ja, het doet ergens aan een mislukte foto denken. Een foto zou normaal gezien alles herkenbaar maken, maar nu lijkt het alsof je opgenomen bent in de ruimte en je aanwezigheid extra informatie en transformatie aan de tekening meegeeft.

SB: Ja zo werkt het wel een beetje. misschien is het ook interessant en hierbij verhelderend om te praten over de vraag die je [via mail] stelde: sinds wanneer ben je begonnen met tekenen en sinds wanneer op deze specifieke manier? Toen ik in de academie zat in de schilderkunst, dacht ik eigenlijk vooral aan abstracte schilderkunst, maar op een gegeven moment begon ik het frustrerend te vinden dat ik niet in staat was om gewoon een ruimte te tekenen, of eerder om daar voldoening uit te halen. Toen ben ik thuis en in het atelier massaal begonnen te tekenen voor mijzelf, als oefening. Wat er toen zichtbaar was, is dat ik mijn perspectief wel beheerste, maar er liep iets verkeerd. Ik kon eigenlijk heel moeilijk beslissing maken over wat ik wel en wat niet zou tekenen. De klassieke manier van tekenen is eigenlijk heel scherp tekenen en de rest vaagweg suggereren, zodat je diepte krijgt gecombineerd met het juiste perspectief en klassieke opbouw. Maar dit had ik niet echt beet en ik kon mij ook niet zover daarvoor krijgen. Daarom heb ik ervoor gekozen om alles wat ik zag te tekenen. De leegtes zijn dan ontstaan vanuit noodzaak om de tekening leesbaar te houden. Omdat ik alles op mijn blad zette, moest ik op een gegeven moment, op puur toeval, ophouden. Beeldend, werkt dat. Ik deed dat vooral als oefening tijdens de academie, want de focus lag op schilderen. Pas na mijn studies heb ik herontdekt dat net die manier van tekenen interessant is en daar ben ik nu nog over aan reflecteren of aan het onderzoeken. Om tot mijn punt van daarnet te komen: de tekening kan eigenlijk nooit volledig documentairegetrouw zijn, omdat op het moment van tekenen heb ik het gevoel dat mijn blad of tekening een verhouding of structuur opdringt; hoe meer lijnen, hoe meer een innerlijke logica ontstaat. Daarom bouw ik leegtes en velden met overvloedige informatie op, omwille vanuit die innerlijke logica. Puur vanuit een beeldende kwestie.

WV: Kunnen plooien en scheuren hier ook iets mee te maken hebben?

SB: Hoe bedoel je?

WV: Wel, soms als een kreuk op een blad verschijnt, teken ik die na, waardoor die plooi iets als van een vertakking krijgt en het is juist dat toeval van die kreuk die de tekening bepaalt. Juist omdat je van het toeval en het blad lijkt te vertrekken…

SB: Ahja, toeval is inderdaad een belangrijke factor. Als ik teken en ik maak een fout in het perspectief, dan wordt het interessant. Dat verklaart ook die overvloed aan lijnen, want dat is juist om die lijn te corrigeren. Omdat er een fout insluipt, en in plaats van die uit te gommen, teken ik een andere lijn om dat op te lossen en zo krijg ik juist een interessant beeld.

WV: Die fout wordt dan behandeld als een buitenstaander, die niet weggegomd wordt [en dus volledig uitgesloten wordt], maar terug door nieuwe lijnen in de groep hoort.

SB: Voila, en daardoor krijgt dat beeld zoiets karaktervol. Dat is een beetje wat ik doe: langs de ene kant blijf ik trouw aan de waarneming, maar langs de andere kant gebeurt er zoveel tijdens het tekenen. Fouten, aandachtsverlies, en dan moet je dat terug corrigeren. Je zou kunnen zeggen dat het iets weg heeft van improviseren, maar dan rond een zeer beredeneerde structuur. Want ik heb heel vaak het gevoel dat tekenen een denkoefening is. Alles staat er bewust op. Het is constant beslissen, beslissen, en je maakt een fout, die staat er nadrukkelijk op, waardoor je even nadrukkelijk andere ingrepen moet doen. Het is een voortdurend heen en weer bewegen tussen wiskunde en improvisatie. Het is heel contradictorisch, maar daar komt het op neer.

WV: Dat voelde ik ook zo’n beetje aan met die dialoog die ik in uw werk vaststelde tussen de waargenomen en de geproduceerde ruimte. Die dingen die je produceert, staan niet los van wat je waarneemt, omdat je zelf in die ruimte zit. Je kijkt telkens van blad naar pagina [ik bedoelde tijdens het gesprek: ruimte, maar de notie van pagina is misschien interessant i.v.m. Steven Baelen’s “alfabetisering”] telkens op en neer. Je probeert het te infiltreren, door het niet te kopieren, maar zelf een structuur te geven.

SB: Correct.

De kleuren van Bonnard

WV: Misschien een andere vraag, of misschien kun je zeggen welke vragen je interessant vond [die ik via mail heb doorgestuurd].

SB: Misschien inspiratie….

WV: Is die ook toevallig gekomen?

SB: Ja, ik was wel heel fel voor Pierre Bonnard. Een Franse schilder, tijdgenoot van de impressionisten, maar je kan hem eigenlijk geen impressionist noemen. Die werkte ook rondom zijn directe omgeving, maar dan heel coloristisch. Ik was daar mateloos door gefascineerd.

WV: Het is gek dat uw werk dan vooral bestaat uit potlood en grijsstinten, terwijl zijn werk heel kleurrijk is.

SB: Ja, maar hij heeft wel diezelfde aandacht voor texturen en het huiselijke. Ik hou er nog altijd van. Het heeft iets heel eigens, heel persoonlijks, bijna op het randje van het amateurisme, maar dan heel erg positief bedoeld. Invloed? Ik weet niet of het een invloed is, ik vind het gewoon heel mooi werk.

WV: Maar zelfs als het geen invloed is, lijkt het mij interessant om te vergelijken.

SB: Ja, er zijn wel velen. Zoals de tekeningen van Van Gogh. Daar was ik ook door gefascineerd. Er is bv. één bepaalde tekening van een landschap, waarin hij ook echt alles tekent wat hij ziet. Maar dan op zo’n manier: hij werkt in plannen van groot en klein. Alles staat er op en het zijn absoluut geen academische ideeën. Plots stopt die tekening, net als een printer die stopt met printen. Dat fascineert er mij aan. Dat waren de dingen die mij interesseerden toen ik begon te tekenen. Ik heb namelijk eerst grafische gedaan. Ik kijk eigenlijk veel naar andere kunst en ga vaak naar tentoonstellingen, maar invloeden, dat weet ik eigenlijk niet.

Afb. 4 Pierre Bonnard, La fenetre ouverte, Olie op doek, 118 x 95 cm, 1921.

WV: Qua kleurgebruik. Is het dan vanuit het tekenen dat je verkiest om grijs en zwart, en potlood te gebruiken.

SB:  Het is de directheid van het materiaal die ik apprecieer en zwart-wit limiteert  mezelf. Wat voor mij erg vruchtbaar is, want ik heb wel limitering nodig.

WV: Het zijn juist die leegtes, die veel betekenen en orde brengen. In kleur zou het nog chaotischer zijn?

SB: Het is weer een heel ander problematiek, zeker niet oninteressant, maar ik ben nog niet op dat punt gekomen om kleur in de tekeningen te steken. Dan wordt de vraag: zou ik die baksteen rood tekenen of blauw? Je kan op een heel ander niveau dingen toevoegen en wegnemen en dat maakt het wel interessant. Ik heb wel vroeger tekeningen gemaakt in kleur, maar nooit getoond of foto’s van gemaakt. Toch ben ik in eerste instantie nu veel meer bezig met het direct noteren en wat er fout loopt en daarop reageren. Kleur is niet belangrijk in dat proces.

Tekeningen uit Berlijn

WV: Je zegt dat je je tekeningen notities noemt en je hebt al uitgelegd dat dat een soort van alfabet is..

SB. Ja voor de muurtekeningen. Ik beschouw de notities in mijn boekje (toont zijn boekje met notities) – die zeul ik overal mee- effectief als alfabet. We kunnen het even over die muurtekeningen hebben. Enerzijds splits ik mijn werk tussen notities, de kern van het noteren en het werk daarond. Wat het verschil is tussen een notitie en een tekening is soms heel miniem. Zoals hier ga ik al heel consequent leegtes inbouwen, die zijn heel afgebakend, terwijl deze veel schetsmatiger is. Vandaar noem ik ze notities.

WV: Het valt me nu ook op dat je de ramen vaak als leegtes gebruikt, waardoor je enkel de focus hebt op wat zich binnen afspeelt. Alsof de kamers alleen bestaan en buiten niets meer is.

SB: klopt, is me ook al opgevallen. Maar in mijn nieuwe tekeningen in Berlijn had ik een atelier met fantastisch uitzicht gekregen op een park. Ik kon het niet laten. (lacht) Het is grappig. Het raam was erg tableau-achtig met bomen met veel kleuren en bladeren. Het was enorm veel informatie. En in het begin was ik aan het tekenen, maar het werkte niet omdat er te veel informatie was, terwijl ik alles wilde tekenen. Ik moest dus consequent beslissen wat ik van de bomen, kleuren, bladeren moest tekenen. Eigenlijk moest ik zo weinig mogelijk tekenen en binnenin veel meer toevoegen en dat werkte weer. Ik kan het tonen. (toont tekeningen). Daar ben ik ook terug met inkt begonnen, ik hanteer mijn inkt in feite als potlood. Zoals hier, dat was dat uitzicht. Dat was heel massief en nu heb ik het heel luchtig gemaakt, en hier alsof een deel van de natuur hier (wijst op de binnenkamer) eruitkomt.

WV: Dat is juist mooi, omdat je juist geen diepte hebt. Het lijkt nu net als een heel massief raam. Dus hier heb je weer die natuurpatronen…

SB: Ja dat zijn eigenlijk texturen en speling van het licht op de muur. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de natuur in de ruimte komt, hier dat raam en die trap die uitmondt boven in een leegte. Hier is dat ook allemaal sterk aanwezig…

WV: Het contrast tussen het onderdeel en het bovendeel oogt boeiend. Het één is heel scherp getekend en het ander is niet gelijkmatig, maar hoe moet ik het zeggen, dikker. En dan hier zo een inkeping gedaan.

SB: Ja die tekening vraagt erom, de werkelijkheid is niet zo. Maar het is die innerlijke logica die ik constant aanvoel tussen hier meer en daar minder. Een vrij bizarre samenwerking tussen kijken naar blad en werkelijkheid. En het is dat, dat mij drijft om steeds te blijven tekenen, omdat er zoveel gebeurt tijdens het werk.

WV: Ik vind het ook een interessante dialoog. De structuur lijkt in beweging te zijn. Je hebt hier de vloer en er is iets wat niet vloeit, zoals in schilderkunst iets vloeimatig kan zijn, maar eerder zoals in die striptekeningen, waarin lijntjes beweging aanduiden. En hier…

SB: Waar ik mijn papier zichtbaar maak, dat doe ik vaak.

WV: Het lijkt net als een afbakening met een nieuw kader.

SB: Wat bedoel je met een nieuw kader?

WV: Niet een nieuw kader, maar hier is het papier, maar je maakt een inkeping wat wit blijft. Je doet dat ook wel vaker. Is dat ook een object of?

SB: Ja, dat is het papier waar ik op teken. Dat doe ik vaak en je ziet dat ook.

WV: Ahja, nu snap ik het! Ik dacht eerst van het wit van het papier.

SB: Ja het is iets heel vreemd, moest je die compositie proberen te fotograferen, ik denk dat dat bijna onmogelijk is. Moest je die ruimte fotograferen zoals hier op de tekening, dat de voorgrond er opstaat, dan moet je waarschijnlijk…

WV: Ik vind het ook een interessante toevoeging: je toont waarop je tekent in het onderste deel, wat dus eigenlijk weer het bovenste deel van de tekening is.

SB: Inderdaad, je kan nog een stap verder gaan door de onderkant hetzelfde te tekenen als wat op de bovenkant staat. Maar ik denk dat het dan te letterlijk wordt.

WV: Misschien zou dat het papier ook te herkenbaar maken. Nu heb je het stuk van wat voor uw tekening resteert, wat onderaan blijft staan.

SB: Ja klopt. Ook met mijn inkt en potlood, die gebruik ik tegelijkertijd. Dus niet eerst potlood en dan inkt.

WV: Ook om die structuren te brengen?

SB: Ja, maar niet zozeer, het is niet dat de inkt schaduw brengt of zo. Ik was meer geïnteresseerd om met potlood lijnen aan te brengen (hoewel ik bv. fijner met penseel kon zijn). Ik was vooral geïnteresseerd om ze te combineren. Je zou kunnen denken dat in een klassieke opbouw, je eerst contouren tekent en dan schaduw gebruikt met inkt. Maar ik wilde gewoon inkt en potlood voor alles gebruiken. Ik was nieuwsgierig naar het effect.

WV: Ook omdat je misschien dezelfde “letters” kan gebruiken van inkt en potlood te samen… Kan je iets meer zeggen over je verblijf bij Berlijn?

SB: Het was een soort van residentie bij de Academie der Kunsten. Dat is iets als de Académie Française, geen school, maar een instituut dat bestaat uit leden. Ze ontmoeten en promoten jonge kunstenaars. Geven hen een beurs en de mogelijkheid om daar drie maanden te werken met een tentoonstelling volgend jaar. Voor mij was dat machtig.

WV: Ook leuk om die aanbieding te krijgen. Dat heeft dus iets te maken met die Stipendium die je gewonnen hebt?

SB: Ja inderdaad, dat is Duits voor “scholarship”. Iemand moet je voorstellen en je moet dan je portofolio tonen. Het is een heel procedé, maar ik ben blij dat ik geselecteerd ben. Berlijn is trouwens ook een heel interessante stad op gebied van alles eigenlijk. Er gebeurt veel, veel jonge mensen, veel jonge kunstenaars.

Het onessentiële

Afb. 5 Steven Baelen, resttekening (Tik_tak), 2010

WV: Nog een andere vraag. Je noemt je werk niet graag als abstraheren, heeft dat te maken met die  dialoog tussen blad en werkelijkheid of vanwaar komt die weigering?

SB: Ik zal dat uitleggen door een digitale tekening te tonen, eigenlijk een resttekening. Abstract is voor mij een totale negatie van figuratie. Abstract refereert naar zichzelf, naar het medium, is zelfreflecterend. Abstracte kunst is fundamenteel.

WV: Tegelijkertijd zeggen ze dat je meer bezig bent met wat tekenen is, dan met het onderwerp zelf.

SB: Inderdaad, maar die figuratie blijft belangrijk voor mij.

WV: Je probeert dus te reflecteren over het tekenproces zelf, zonder terug te grijpen naar abstractie. Het gaat dus niet om essentialiseren, om “tekenen zijn lijnen, dus ik ga alleen maar lijnen tekenen”. Het is eerder de figuren en het specifieke op het blad neerzetten, het is niet omdat het onherkenbaar is, dat het abstract is. Bij jou gaat het om het onherkenbaar concrete.

SB: Inderdaad, en zoals in deze digitale resttekening. Je hebt Tik_Tak gezien, waarbij de één tekening de ander wordt, maar er waren ook een paar toetsen van de eerste tekening die ik niet meer nodig had, die zich niet meer verplaatsten. Die toetsen heb ik gefilterd, geëxtraheerd en die heb ik uitvergroot –wat ik vaak doe, een bepaalde tekening filteren en dan uitvergroten- en dan naar een klassieke schaal (1m x 1,5 m) gebracht en geprint op een dibond en als een foto gemonteerd om daarna te presenteren als een autonome tekening. Het boeiende daaraan is, is dat ik tot een beeld gekomen ben, wat abstract lijkt, omdat het niet herkenbaar is. Maar het is niet abstract voor mij, omdat er een heel proces aan verbonden is. Juist door dat proces ben ik in staat om zo’n beelden te maken. Het beeld komt voort uit iets heel concreet, iets figuratiefs, er onbreekt gewoon heel veel informatie. Dat maakt het beeld niet abstract. Een abstract werk is iets totaal anders, denk ik. Piet Mondriaan bijvoorbeeld, was daar even radicaal in, maar wanneer hij bezig was met horizontalen en verticalen, met diepteloosheid dan denk ik dat dat compleet anders is, misschien weet ik het niet en is dat een misvorming van mij.

WV: Uw werk is wel al vergeleken met Piet Mondriaan.

SB: Inderdaad, dat vond ik iets minder, maar de schrijfster doelde eerder op de aandachtspunten, die verdwijnen en dat klopt. Maar op zich zijn vergelijkingen met andere kunstenaars al vrij moeilijk. Dus waarom niet abstract: het blijft nog altijd een tekening, een huis met bomen. Er ontbreekt gewoon informatie

WV: Als je het zou zien als een tekst zou je kunnen zeggen dat het juist niet om de kern van de tekst gaat, want je sluit de dingen uit die je nodig hebt. Het gaat om de restwoorden, het overbodige. Misschien kan  je het daarmee vergelijken.

SB: Inderdaad het gaat juist absoluut niet om de essentie. Het is een resttekening. Wat het omgekeerde is van abstractie, ook al is het moeilijk om die te definiëren.

WV: Het is ook interessant dat uw werk op een spoor lijkt. Je benoemt je werk met data, zoals in de tentoonstelling bij de Bogaardenkapel zie je een muur met allerlei data…

Afb. 6 Steven Baelen, Affichebeeld voor expositie in de Bogaardenkapel (Brugge), 2010

SB: Ja dat was het affichebeeld, ter illustratie van wat er gebeurt. Wat ik eigenlijk doe is een geheugen creëren en omdat ik alles dateer, leek mij dat een maf beeld. Het zou ook een maf werk zijn. Inhoudelijk klopte dat wel om zo’n beeld te maken.

WV: Ja nu denk ik eraan dat je alle onessentiele dingen blijkbaar met elkaar linkt… Je gebruikt geen hiërarchie dus die banale dingen, die weg zouden kunnen gaan of vergeten worden, worden getoond. Je maakt precies een synthese van het onessentiële. Ik weet niet of ik te ver ga…

SB: Neenee, het gaat niet te ver. Het boeiende aan kunst is dat je er eindeloos over kan blijven reflecteren. Natuurlijk moet je er dan wel weer een werk uit kunnen puren. Via dit werk, die stap, ben ik trouwens terug begonnen met schilderen, want ik heb lang niet meer geschilderd.

Het toeval als productieproces

WV: Ik herken de schildermethode.

SB: Eigenlijk moet je mijn schilderijen begrijpen vanuit die ideologie van een overschot. Mijn schilderijen zijn als overschotten van een bepaald proces. Zoals hier is een studie.

WV: Geen volwaardig schilderij, maar een studie?

SB: Nee, het is wel een volwaardig schilderij, ik vond het gewoon maf om het een studie te noemen. Het ziet er ook uit als een studie.

WV: Ja ik vond het ook interessant met die lijnen. Omdat je meestal in je notities geen perspectief gebruikt, terwijl perspectief heel mathematisch is met horizon en vluchtpunten. Je maakt er nu een eigen wiskunde mee, waarop je je eigen beeldresten mee gaat reconstrueren.

Afb. 7 Steven Baelen, 13.10.10 [studie],  potlood en olie op doek, 67 x 88 cm, 2011.

SB: Ja zo doe ik het. Ik kopieer mijn tekening en zet eerst een raster uit en dan zoek ik lijnen die verschillende punten verbinden. Ik zoek mijn eigen logica, omdat ik het vertik om een projector te gebruiken, want dat sluit te veel uit. Ik probeer ook geen vertaling te zoeken. Wat ik alleen wil doen is kopiëren, dus heb ik dat rooster nodig om mijn schaalgevoel niet te verliezen. Het is een puur hulpmiddel om de toetsen op de juiste plaats te zetten. Hier heb ik dat raster gewoon heel zichtbaar gehouden, wat haar eigen logica heeft. Die gele toetsen, dat was eigenlijk een oud stuk doek waarop die gele vlekken al aanwezig waren. De kleur was aanwezig en dat is ook mijn manier om met kleur om te gaan. Ofwel is het al aanwezig en speel ik erop in ofwel door in plaats van zwarte olieverf te gebruiken, je eigen zwart maken via RGB (rood groen blauw) of MCG (Magenta Cyaan Geel), iets wat ik nog heb overgehouden van mijn grafische opleiding. Ik experimenteer daarmee door zwart te maken vanuit kleuren, door bepaalde kleuren meer toe te voegen, want als je achteraf met terpentijn of white-spirit het beeld aanpakt, krijg je verschillende, chromatische effecten. Ik heb vererlei redenen om dat te doen zoals ten eerste mijn interesse in wat gebeurt er met het werk als je informatie wegneemt en op welke manier dat gebeurt. In schilderen is dat in tegenstelling tot digitale animatie, heel fysiek. Je kan iets wegnemen via ten eerste chemische producten te gebruiken of ten tweede via de droogtijd, als je één dag wacht gaat er immers veel meer informatie weg, dan twee dagen wachten. Daarom wordt olieverf erg interessant voor het tekenen, in tegenstelling tot acrylverf, vanwege die wachttijd. Plus, als je je kleuren tot zwart mengt, bepaalde chemicaliën gaan die kleur terug zichtbaar maken. Zoals hier is er veel blauw in het zwart, dat terug naar boven gekomen is.

Afb. 8 Steven Baelen, 08.06.10, Olie op doek, 200 x 125 cm, 2011.

WV: heeft dat ook te maken met welk soort chemicaliën?

SB: Het heeft eerder te maken dat wanneer je verdunt, de dominanste kleur terug zichtbaar wordt. Ik doe dat nu nog maar een jaar. Eigenlijk zou ik nog meer technisch onderzoek moeten doen welke kleuren dominant zijn en nog veel meer gaan bepalen in bepaalde droogtijden. Het is bv. interessant dat tijdens de winter je verf trager droogt dan tijdens de zomer. Dat zijn bepaalde factoren van buitenaf waarover je geen controle hebt, alleen slechts een beetje naar je hand kan zetten, maar wel de factoren die ervoor zorgen dat ik die restbeelden kan maken. Er is geen andere manier om die beelden te maken. Ik zou die beelden ook nooit zo kunnen bedenken en dat zou ook niet kloppen. Je hebt die bepaalde natuurlijkheid en toeval nodig.

WV: Het doet mij een klein beetje denken aan Gerhard Richter, vanwege die vervaging, die zoektocht naar restbeelden, waar ook veel informatie verwijderd wordt. Ik heb het gevoel dat dit nu vaker onderzocht wordt om –bijvoorbeeld ook bij fotografie- de filmrol op zo verschillende wijzen te manipuleren dat er een “gekwetst beeld” tot stand komt. Het is interessant dat die blessures hier in “schilderkunst” zich manifesteren. Daarom leek het me ook interessant om je in mijn tekst te vergelijken met John Constable. Hoewel het er op het eerste zicht niets mee te maken zou hebben. Constable zou revolutioniar zijn in zijn wijze van schilderen en dat leek me boeiend op hoe op een soortgelijke manier met een ander medium die effecten bereikt worden.

SB: Ik heb laatst ook een recensie in H-Art gelezen over de momentele tentoonstelling over Constable in het Museum voor Schone Kunsten in Gent, dus die vergelijking was nog vrij frappant. Er stond in dat hij met witte verf via vlekken een bepaalde sprankeling wou weergeven. Ik heb een gelijkaardig beeld gemaakt met witte vlekken, waar er evenzeer veel informatie verdwenen was. Het was niet mijn bedoeling een sprankeling te maken, ik wist toen ook niet dat Constable dat zo deed, maar de werking was er wel. Ik had dat beeld aangepakt en er was weer heel veel informatie verdwenen. Ik wilde hier puur zwart-wit werken om mijzelf te limiteren, aangezien het werk dat via het organisch werkproces aan mij vroeg. Op een gegeven moment voegde ik wit toe en je krijgt een sprankelend effect alsof het licht naar binnenkomt. Bovendien hangt er ook een postkaartje van Constable in mijn atelier. Die vergelijking is dus niet onaardig, ik had het natuurlijk zelf nooit op die manier gezien.

WV: Ik kende toevallig een paar mensen die een recensie over Constable schreven en vandaar dat ik op die vergelijking met uw werk kwam. Zo krijg je ook toevallige vergelijkingen. Je lijkt precies ook vooral geïnspireerd door impressionisme?

SB: Goh ja, de impressionisten waren vooral schilders die mij tijdens mijn middelbaar tijdens kunstgeschiedenis inspireerden, wanneer ik ook kunstonderwijs deed, toen was dat erg fris en erg direct. Maar nu ben ik daar niet meer zo mee bezig.

WV: Een andere opmerking: je noemde je schilderijen als een visueel besluit en dat heeft te maken met die toevallige processen, aangezien je na het schilderij nergens meer een toeval aan toevoegt?

SB Er is nog een aspect dat zal ik later zeggen…

WV: Ik vroeg me af waarom je dat een visueel besluit zou noemen, maar dat heeft te maken met enerzijds het kopieren en anderzijds het wegnemen van informatie en toeval.

SB: Eigenlijk is het heel simpel: het gaat om het wegvallen van informatie tijdens het proces van het kopiëren. Het is heel basic: boodschap – ruis – ontvanger. Die simpele procedé’s gebruik ik, ik ben nieuwsgierig naar wat de ruis voortbrengt. Dat fascineert me mateloos. Het is natuurlijk meer dan dat, maar het is een bepaalde basisidee die ik graag hanteer, omdat daar heel veel inzit.

WV: Beschouw je jezelf dan in het toeval als een ruis op je werk? Je spreekt over een ruis dat daarna blijft, over toeval en tegelijkertijd jezelf als kunstenaar: zijn je werken dan een lijdend voorwerp van die ruis of zijn ze zelf ook een vorm van ruis, proberen ze die ruis te vangen?

SB: (denkt na) Als ik naar mijn tekening kijk krijg je een letterlijke reflex dat je doorheen een ruis moet kijken om het te zien. Maar dat is misschien te letterlijk en daar is de ruis nog niet echt aanwezig. Ik moet er nog over nadenken. Wat interessant is, is dat je zegt dat je enerzijds een toeval of een fout of een leegte hebt die ontstaat en anderzijds heb je mij die de beslissing maakt om dat toeval toe te laten, om die fout te corrigeren. Eigenlijk laat ik niets aan toeval over. Op geen enkel moment. Anders zou het tot een bepaalde truc worden. En dat is heel belangrijk

WV: Juist omdat je afspreekt met het toeval hoeveel je eraan overlaat en daardoor heb je een bepaalde controle over dat toeval zelf.

SB: Inderdaad alsof ik een bepaalde structuur toelaat waarin ik toeval toelaat, maar dan op een vreemde manier toch gecontroleerd. Ik laat bijgevolg niets aan toeval over. Er is nog één bepaald aspect dat ik over mijn werk wil duiden, dat gaat over de ruis, maar de ruis is er niet echt het potentieel, maar er is wel een potentieel aanwezig. Heb je bij Elaine die doos op die sokkel zien staan?

To Copy, To Collaborate

WVTo Copy?

SBTo Copy, je zou dat werk moeten zien in lijn van die digitale animaties. Op een gegeven moment had ik die tekening gedigitaliseerd. Waarom die? Omdat dat één van de meest consequente tekeningen uit dat boekje was. Ik was gefascineerd door dat intieme van dat boekje. Tekenen en een boekje is absoluut intiem, dus heb ik die gedigitaliseerd omdat ik daar iets mee wilde doen. Mijn denkproces kan ik even duiden. Enerzijds had ik dus die resttekening: je hebt een groot veld en weinig lijnen en dat levert een heel mooi beeld op. Ik vond het interessant dat dit restbeeld een enorme schoonheid had en ik was er zeer tevreden over omdat het niet gemaakt was. Het was een rest, waardoor het een intense schoonheid bezat. Zo begon ik te fantaseren over een proces waarbij maar één lijn op één blad zou staan, zoiets kan je natuurlijk niet zomaar doen, dat moet ergens uit voortkomen. Zo werkt dat in uw hoofd: je hebt iets intiems en je bent aan het zoeken naar het proces wat tegengesteld is wat ik normaal doe, namelijk lege bladen opvullen. Toen kwam ik ineens op het idee om elke toets van die tekening op de juiste plaats op één apart blad te zetten. Waardoor er een stapel komt van ongeveer 1213 bladen.

Afb. 9 Steven Baelen, To copy, A4 2007.

WV: Het is dan jammer dat veel mensen er niet door bladeren omdat ze denken dat ze niets mogen aanraken.

SB: Inderdaad, maar ze mogen eraan komen. Ik had het idee om tot die ruis te komen: stel nu dat iemand zo zot is om die tekening te maken, dan moet hij dat blad per blad kopieren om die tekening te maken, om alle bladeren terug op één blad te krijgen, waardoor je een soort van partituur of alfabet verkrijgt. Als je al die bladeren op één blad kopieert kom je terug op de oorspronkelijke tekening.

WV: Het is interessant dat je je kopieerapparaat dan ook als een tekenaar gebruikt.

SB: Voila en zo kom je weer tot die intimiteit van hij die uren lang in dat boekje tekent en hij die urenlang aan het kopieren is.

WV: Tegelijkertijd ook helemaal niet intiem vanwege het machinaal kopiëren…

SB: …en het feit dat iedereen het kan doen. Alle kleine foutjes die gaan gebeuren, zorgen voor een onmogelijk groot potentiëel voor verschillende tekeningen. Een pertinente vraag voor mij was: moet ik dat doen, dat kopiëren? Voor mij hoeft het niet gemaakt te worden, het gaat uiteindelijk om dat potentiëel dat het kunstwerk vormt. Het moet daarom niet gemaakt worden. Je hebt ook opgemerkt dat ik samengewerkt heb met twee andere kunstenaars, Audrey Cattin, een Franse kunstenares en Kelly Schacht. Ik heb daar een gelijkaardig werk voor gemaakt: To Collaborate. We hebben vrij lang zitten brainstormen om samen te werken voor een tentoonstelling in Parijs. Haar vertrekpunt was knopen en ze wilde een collaboratie-expositie maken over samenwerking en knopen, terwijl ik in die periode bezig was To Copy te maken. Dat werk was even verschenen en verdwenen en we waren een andere piste bewandelen. Toen is Kelly erbij gekomen en toen is alles beginnen samen te vallen, want zij wilde de tentoonstelling een kleur geven door te werken met diaprojectors, lampen en gele belichting. Op een vrij organische manier zijn we dan tot dat werk gekomen en Kelly stelde voor om het papier van wit naar geel te laten printen. Ik vond dat interessant omdat ik bijna nooit kleur gebruik in mijn werk en dat nooit zou doen vanwege de betekenisloosheid van die daad.  In de collaboratie werkte dat echter wel.

WV: Ergens heeft het toch wel betekenis, want als je datzelfde concept toepast van dat kopieren krijg je een zekere verdonkeringsgraad omdat alle kleuren op één blad geplaatst worden en de overgang weg zou kunnen vallen.

SB: De tekening zou misschien zelfs volledig verdwijnen, want het geel zou vertaald worden naar grijs.

WV: Tenzij je het terug in kleur zou afdruken, misschien krijg je dan een heel geel blad?

SB: Goh, ik weet niet wat er zou gebeuren. Dat zou ook misschien nog een maf werk zijn.

WV: Het is ook interessant dat je volledig de positie van je blad kan samenstellen, niet alleen lichte “foute” verschuivingen, maar ook je blad 90° kan draaien etc.

SB: Als maker ben je daar vrij in. Ik heb natuurlijk elk blad genummerd, waardoor die de richting aanduidt, maar je kan er tegen ingaan. Ik heb het zo gemaakt waardoor je de tekening perfect kunt reconstrueren. Het heeft heel veel potentieel. Uiteindelijk zijn we tot dit werk gekomen: het zijn tweeduizend pagina’s, want ik heb de tekening zo digitaal gemanipuleerd dat we exact 2000 pagina’s verkregen.

WV: heb je dan een specifiek programma daarvoor of zonder je elk lijntje manueel af?

SB: Manueel, dus dat is bandwerk. Het is compleet digiaal en alle toetsen worden geprint. Daarnaast wordt het gepresenteerd in de doos waarin het verpakt is. Eigenlijk refereer ik zelfs naar mijn manier van schilderen, want als er een kleur in voorkomt, dan is dat voornamelijk in een gradient. Ik ben wel gefascineerd in een gradient, omdat het ergens ook iets kitscherigs heeft. Het werk noemt To collaborate omdat theoretisch gezien alle 2000 mensen één toets zijn. Zij hebben de potentie om een bladzijde met zich meenemen, maar ook om later samen te werken en terug tot die ene tekening te komen. Dat vind ik een interessante gedachte, ook al zal het waarschijnlijk nooit gebeuren.

WV: Je kamer is ook uiteengescheurd in verschillende lijnen en ieder draagt een lijn van je tekening, van een kamer met zich mee, net zoals jij je tekenboekje meeneemt.

SB: Ja die betekenis zit erin. Ik vind het interessant dat je tekening compleet versnipperd raakt all-over. Het is een continu afbreken en terug opbouwen.

Nomadische muurtekeningen

WV: Om misschien terug naar een andere vraag over te gaan, dat te maken heeft met deze confrontatie van je privé-ruimte en de publieke ruimte: Je maakt het werk ook publiek door het als een massale papiermassa te presenteren, je kan het bijna beschouwen als sculptuur. Tegelijk laat je het publiek theoretisch gezien zelf ook bandwerk doen i.v.m. dat kopiëren, waardoor het ook ergens publiek wordt. Het is interessant dat je in die massa nog niets van de ruimte toont, waardoor het zich slechts langzaam reveleert in die versnippering en terug toonbaar wordt in die collaboratie. Ik denk ook dat men kan denken over je werk als iets nomadisch of juist iets van een gevangenis. Je neemt je eigen ruimte, je tekeningen overal mee en breidt ze uit over de publieke ruimte, alsof het een territorium is, iets van een nomadisch proces. Op hetzelfde moment heb je je tekenproces, letters die reizen naar een complete informatie van je notitie, niet naar een poëzie, niet naar een essentie, maar naar het tegengestelde daarvan, een spoor van iets, van een gemeenschap van informatie die steeds op reis is. Ik denk niet dat je op die manier je werk  ziet, maar kan je iets over het intieme en publieke karakter van je tekeningen bespreken in licht van dit nomadisch karakter?    

Afb. 8 Steven Baelen, (Young Artists project), houtskool op muur, 2008.

SB: Ik denk natuurlijk niet zo over mijn werk, maar ik zal proberen op de vraag te beantwoorden. Dat nomadische, publieke en intieme is denk ik pertinent aanwezig in de muurtekening, hier – in To collaborate– natuurlijk ook, maar op geheel andere wijze. Vandaar dat ik de muurtekening een beetje afzonderlijk bezie. Ik zal dat kort even toelichten, want dat spitst zich toe op het intiem tekenen.  Je komt ergens toe op een vreemde ruimte, de vreemde plek van een tentoonstelling. Om daar de intieme taferelen van je leven te tonen, lijkt voor mij inhoudelijk te kloppen, om het narratieve van mijn werk te tonen. Om te kunnen zeggen: kijk daar is mijn living, etc. Daar ga ik volledig anders doen dan in ander werk. Ik ga veel grafischer, veel herkenbaarder tekenen.  Daar wordt het alfabet, zelfs de schriftuur bijna genegeerd. (wordt gebeld)- mijn vrouw belt mij.

WV: Ik zal even op pauze drukken.

(einde opname)  

Voor meer informatie over Steven Baelen, zie:
http://www.stevenbaelen.hi-ka-sk.be/index.php

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in interview. Bookmark de permalink .